Roofvissen

Palingkoorts:  

De Engelse methode: Er worden vele vissen verspeeld voordat je de goede montage hebt gevonden voor het vissen nabij hindernissen.de bodemmontage vallen af, aangezien je daarmee hangers kunt verwachten. De dobbermontage heeft weer andere problemen. Omdat de paling over de bodem naar voedsel zoekt, moet er dus daar gevist worden. Stel je de dobber iets te diep, dan zal de haak zich gegarandeerd vastzetten in een obstakel. Tegenwoordig geschiedt men palingvisserij nog met twee onderwater dobbermontages. De basisconstructie is afkomstig van Engelse palingspecialisten en bestaat eruit dat er een wartel op de hoofdlijn wordt getrokken met een zijlijn eraan, waar we het bodemlood aan monteren. Doordat het zijlijntje dunner is dan de hoofdlijn, zal bij een hanger alleen het bodemlood verloren gaan en kun je de gehaakte vis alsnog landen (en je montage redden). Een tussenlijn komt aan het einde van de hoofdlijn. Hij bestaat uit een lijn met twee wartels waarop een onderwater dobber wordt gemonteerd, die met een stuitje naar believen kan worden afgesteld. Je kunt deze speciale onderwater dobbers kopen, maar een buldo werkt ook aardig goed. De “ondergedoken” dobber is er voor om het haak aas drijvend boven de bodem te houden. In de onderste van de tussenlijn wordt eentweede zijlijn van ongeveer 15 tot 20 cm geknoopt, aan het uiteinde hiervan monteer je de haak.

Zwevende presentatie: Deze op het eerste gezicht gecompliceerde montage heeft als grootste voordeel dat alleen het bodemlood op de bodem ligt. De rest van de montage komt niet met obstakels in aanraking. Met de onderwater dobber kan de visdiepte gereguleerd worden. Hoe hoger je de dobber op de tussenlijn schuift, des te hoger zal het aas boven de bodem zweven. Afhankelijk van het soort van hindernissen, is het mogelijk om de lengte van de tussenlijn en de zijlijn te variëren. Zo zal een tussenlijn van ongeveer 50 cm voldoende zijn bij mosselbanken en steenformaties. Bij plantenbedden  kan de lengte, al naar gelang de hoogte van de plantengroei, tot wel 2 meter bedragen. Het is dus echt een onderlijn die aan elke hindernis kan worden aangepast. Let er wel op dat de zijlijn altijd korter is dan de tussen lijn, anders gooi je de montage in de war. Een tweede variant bestaat uit het verwisselen van zij -en tussenlijn. In de bovenste drieweg wartel tussen hoofdlijn en tussenlijn wordt een tweede onderlijn gemonteerd van ongeveer 15 tot 20 cm, waar de haak aan wordt geknoopt. Met deze montage werp je over de hindernis heen en de ondergedoken dobber zorgt ervoor  dat het haak aas boven het opstakel komt te zweven. De spanning op de lijn en de lengte van het onderlijntje met het bodemlood bepalen. Hoe ver het haak aas boven de hindernis zal zweven. Hoe langer de zijlijn en hoe losser de spanning op de lijn, des te hoger zal de ondergedoken dobber drijven en daarmee dus tevens haak aas.  

Haak aas naar keuze:

Op de haak van deze ondergedoken dobbermontage monteren we het gebruikelijke aas, regenwormen, aasvisjes of reepjes vis. Wanneer je met regenwormen vist, dan heb je vanwege het geringe gewicht van het haak aas, maar een heel lichte onderwater dobber nodig. Bovendien kun je de worm door het inspuiten met lucht ook nog drijvend maken. Dan heb je de onderwater dobber eigenlijk alleen nodig om de hele montage vrij van de bodem te houden. Anders wordt het met kleine aasvissen van 5 tot 10 cm of reepjes vis. Door het relatief grote gewicht van het aas heb je onderwater dobber van tenminste 15 tot 25 gram drijfvermogen nodig, om er voor te zorgen dat het aas blijft zweven. Door de aasvis met wat balsahout, piepschuim of ander materiaal licht drijvend te maken, kun je met een lichte onderwater dobber volstaan. Wie zijn aaspresentatie wil verfijnen en de paling extra prikkeling wil bieden, heeft daarvoor verschillende mogelijkheden ter beschikking.

Altijd de neus achterna: Pieren en aasvisjes kun je smakelijker maken door ze in een “’dipsaus” van lokstoffen (bijvoorbeeld “’wormextract”’) Te dopen of ze ermee te besprenkelen. Dergelijke geurstoffen kunnen ook met de injectienaald in het aas worden geïnjecteerd. Toch is de juiste dosis lokstof niet onbelangrijk. Meestal zijn de aangeboden preparaten van een zeer hoge concentratie en kunnen als “’overdosis”’ het tegendeel bewerkstelligen van wat je wilt bereiken. De paling heeft namelijk een uit stekende reuk en kan door te veel prikkelend aroma gemakkelijk afschrikt worden. Je kunt je kansen op dikke paling trouwens ook verbeteren door vooraf op de stek te voeren. Ook een paling die zich niet op de stek bevindt wordt door de vrijkomende geuren als het ware van verre geattendeerd op een makkelijke hap(wanneer het water tenminste in beweging is). Palingen doen niets anders dan smakelijke geursporen met de neus achterna zwemmen.  

Bron: Rapala Hunter

r1

De Snoekbaars

Wetenschappelijke naam: Stizostedion lucioperca
Engelse naam: Pike perch
Lengte: tot ca 120 cm.
De snoekbaars heeft 2 gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft. Op de rug en flanken lopen verticale, donkere banden en/of vlekken. De bovenkaak loopt door tot achter het violet oplichtende oog. Komt algemeen voor in met name troebele wateren; heeft daarbij voorkeur voor een stevige bodem. Voedsel: eet hoofdzakelijk klein vis.

Herkenning:

De snoekbaars is vrij gemakkelijk te herkennen. Hij heeft een slanke lichaamsvorm. Opvallend daarbij zijn de twee gescheiden rugvinnen, waarvan alleen de voorste harde stekels bevat. De bovenkaak loopt door tot achter het violet oplichtende, wat glazig uitziende oog. Vaak wordt de snoekbaars daarom "Vadertje Glasoog" genoemd. De vis voelt ruw aan. In de bek zijn duidelijk enkele scherpe, vrij grote puntige tanden zichtbaar, naast een groot aantal kleinere tandjes. De rug van de snoekbaars is donker grijs tot groenachtig gekleurd. Vage verticale strepen of vlekken lopen van de rug door tot de flanken. De buikzijde van de vis is lichtgrijs tot wit. In ons land kan snoekbaars een maximale lengte bereiken van circa 120 cm bij een gewicht van 25 tot 30 pond.

Herkomst en verspreiding:
Het natuurlijke verspreidingsgebied van de snoekbaars ligt van oudsher in Oost- en Midden-Europa. Door uitzettingen van snoekbaars sinds het einde van de 19de eeuw, vooral door onze oosterburen, kon de soort steeds verder in West-Europa doordringen. Door de voortschrijdende eutrofiëring zijn in Nederland veel wateren troebel geworden, waardoor de onderwaterplanten zijn verdwenen. Daar de snoekbaars uitstekend gedijt in troebel water, heeft de eutrofiëring de snoekbaars bevoordeeld en de snoek benadeeld. De kleinere snoek heeft immers helder water en voldoende waterplanten nodig om zich in redelijke aantallen te kunnen handhaven. De opmars van de snoekbaars werd zodoende een feit. Het is dus niet zo dat, zoals ten onrechte wel eens wordt beweerd, de snoekbaars de snoek heeft verdrongen! De snoekbaars komt behalve in grote diepe wateren tegenwoordig zelfs in grote aantallen voor in ondiepe troebele poldersloten en vaarten. Bovendien is gebleken dat de snoekbaars het ook goed kan uithouden in zwak tot matig brak water.

Voortplanting:
Snoekbaars paait in Nederland in de periode eind april tot begin mei bij een watertemperatuur vanaf 12 °C. De mannetjes snoekbaarzen kunnen, afhankelijk van hun groeisnelheid, reeds paairijp zijn bij 26 cm. De vrouwtjes zijn paai rijp bij 40 cm. Zeer karakteristiek voor de snoekbaars is dat het mannetje een "nest" maakt. Zo'n "nest" bestaat meestal uit een stukje door de vis schoongemaakte zand- of grindbodem. Voor zijn nest kan de vis ook een kuiltje maken in de bodem, totdat er plantenwortels of een steen vrijkomen.
Het mannetje bewaakt het nest totdat het vrouwtje arriveert. Hij zwemt vervolgens in cirkels rond het vrouwtje. De paring wordt ten slotte ingezet doordat beide vissen krachtig met hun lichaam trillen en schudden. Het mannetje blijft het nest bewaken tegen kuitrovers. Mocht je het geluk hebben om zo'n exemplaar op dat moment tegen te komen, blijf dan op enige afstand om het te observeren. Het mannetjes zal niet aarzelen om je aan te vallen!!! Bovendien houdt hij de afgezette eieren ook vrij van eventuele slibafzettingen door met de vinnen te waaieren.
Door de "nestzorg" van de snoekbaars komt onder ideale omstandigheden 95% van de bevruchte eieren tot ontwikkeling. Het snoekbaarslarfje komt bij circa 12 °C na ruim een week uit het ei. De "ouderzorg" van het snoekbaarsmannetje reikt niet verder dan het nest, daarna zijn de larven op zichzelf aangewezen.

Ontwikkeling en groei:
Hoewel snoekbaars ook voorkomt in de koudere streken van Noord-Europa, is het toch een vissoort die warmteminnend is. Onderzoek heeft uitgewezen dat jonge snoekbaarsjes zich bij voorkeur ophouden in water van circa 26 °C. Ook de groeisnelheid is, bij voldoende voedselaanbod, het snelst bij deze temperatuur. In Nederland komen bovengenoemde hoge watertemperaturen vrijwel nooit voor. Snoekbaarslarven krijgen het in ons land dan ook moeilijk in koude voorjaren of zomers. Indien de watertemperatuur in het voorjaar en in de zomerperiode hoog is, en het voedselaanbod voor de jonge snoekbaarsjes voldoende is, kan er een sterke jaarklasse ontstaan. De jonge snoekbaarzen kunnen onder deze gunstige omstandigheden in het eerste jaar een lengte bereiken van 18 tot 20 centimeter. Snoekbaars van dit formaat is veel minder kwetsbaar en heeft meer kans op overleving.

Voedsel:
In eerste instantie leven de snoekbaarslarven van reservevoedsel uit hun dooierzakje. Snoekbaarsjes van circa 6 mm tot 2 cm lengte eten allerlei soorten plankton en kleine waterdiertjes. Bij een lengte van 4 tot 10 cm schakelen de kleine snoekbaarsjes langzaam aan over op het eten van visbroed. Hoe vroeger de snoekbaarsjes vis gaan eten, des te groter ze zijn aan het eind van het eerste levensjaar. Een probleem hierbij kan optreden als de watertemperatuur zo laag is dat het witvisbroed, waar van ze moeten leven, het snoekbaarsbroed voorbij groeit. De kleine snoekbaarsjes kunnen de sneller groeiende witvis dan niet meer "aan". Hun voedselaanbod is dan zo beperkt, dat ze aan het eind van de zomer klein zijn en in een slechte conditie verkeren. Na de winterperiode blijkt vaak, dat er van zo'n zwakke jaarklasse bijna geen vissen meer over zijn. Uit maagonderzoek van grotere snoekbaarzen is gebleken dat deze bij hun jacht op prooivis hun jongere soortgenoten niet ontzien. Evenals bij de snoek komt dus ook bij de snoekbaars kannibalisme voor.

Het najaar is bij uitstek de beste tijd om op jacht te gaan naar onze grote vriend met de glazen ogen, de snoekbaars ( dit geldt ook grotendeels voor de snoek). Zij moeten voorde winter hun vet reserve op pijl brengen en gaan op zoek naar voedsel. Dit is voor ons,de sportvisser, de ideale tijd om ze te vangen. Hier volgen enige tips en wetenswaardigheden:

Roofvis…nylon of gevlochten lijn…

Hengelaars beschikken tegenwoordig over twee soorten lijnen die in feite regelrecht tegenover elkaar staan: enerzijds nylon dat een bepaalde elasticiteit bezit, anderzijds de gevlochten dyneema lijn die totaal geen rek en geheugen heeft en in verhouding tot dezelfde nylon diameter een uitzonderlijke trekkracht bezit. De vraag is…wanneer moeten we nu welke lijn gebruiken? Moeten we als roofvisvisser systematisch overschakelen op een gevlochten lijn omwille van die hoge trekkracht? Dit zou een kapitale fout zijn. Men moet een lijn steeds kiezen in functie van de vistechniek. Wat roofvis betreft, zijn er diverse technieken beschikbaar: vissen met kunstaas, met getakeld dood aas of met levend aas (levende aasvis is bij ons in Nederland verboden). Voor iedere techniek zijn er tegenwoordig speciale hengels en molens beschikbaar…reden te meer om voor de juiste lijn te kiezen.

 Het vissen op snoekbaars:

Snoekbaars is een moeilijk te vangen vis, die het aas bij de minste weerstaand los laat. Échte, geweldige aanbeten zijn zeldzaam of men nu met kustaas of getakeld aas vist. Een snoekbaars neemt dikwijls het aas ter hoogte van de staart en dat is de reden waarom er heel wat wordt misgeslagen. Het is daarom belangrijk dat we onmiddellijk kunnen reageren wanneer  er met dood getakeld aas wordt gevist. Dit maakt het vissen met gevlochten lijn noodzakelijk. Op die manier ontsnap geen enkele aanbeet. Er is natuurlijk óók een keerzijde aan deze medaille. Staat er veel water en hebben we af te rekenen met een sterke stroming, dan staat een gevlochten lijn  gespannen en de vibraties zouden volgens kenners een nadelige invloed hebben. In dergelijke omstandigheden schakelen we het beste over op nylon. We verzwaren dan ook  onze montage zodat we steeds een direct contact met het aas hebben. Dit geld natuurlijk ook voor het vissen met alle kunstaas in zacht plastic, zoals twisterstaarten en shad's. Vissen we op snoekbaars met een levend visje in combinatie met een dobber of met een getakelde dode aasvis die we tegen de bodem aanbieden, dan vissen we steeds met soepele nylon. We monteren wel een onderlijn in gevlochten lijn of dacron. De soepelheid van deze lijnen zorgt voor minimale weerstand als de snoekbaars het aas neemt. Wordt er slepend (trollen) met pluggen op snoekbaars gevist, dan spoelen we een gevlochten lijn van 12/00 op de molenspoel zodat we bij de aanbeet onmiddellijk kunnen reageren. We kunnen ook met nylon in 28-of 30/00 vissen omdat de plug tijdens het slepen op de lijn trekt en deze tijdens het vissen steeds gestrekt houdt. Is verticaal vissen Uw favoriete techniek en zit U achter de schubben van de snoekbaars en baars aan op uitgestrekte, diepe meren, vis dan met een dunne gevlochten lijn. Bij deze techniek moet de hengelaar op het minste van het minste tikje kunnen reageren. Monteer op al Uw zacht kunstaas een extra dreg ter hoogte van de staart. 

Vissen met spinners of een lepel….. 

Wanneer men voelt dat de roofvis wel op een spinner of een lepel duikt, dan is dit eveneens een aanduiding dat men het kunstaas trager moet binnenvissen of een kleiner formaat kunstaas aan de lijn moet knopen. Als de roofvis het kunstaas vrij diep slikt, aast hij agressief. Het is een goede gewoonte om dan over te schakelen op een groter formaat kunstaas en zo selectief op grotere exemplaren vissen. Als het water kouder is, vist men het kunstaas trager binnen. Tijdens de zomer, als het water op temperatuur is, kan de inhaalsnelheid vaak niet hoog genoeg liggen. Wanneer een roofvis het kunstaas wel volgt, maar niet toehapt, is dat een teken dat men het kunstaas trager moet binnenvissen. Geef de vis steeds voldoende tijd om naar het kunstaas te grijpen. Men moet eerst vis vangen alvorens men echt weet wat de vis op dat moment wil en hoe de actie van Uw kunstaas moet zijn om de roofvis tot aanbijten te verleiden. De haak is het belangrijkste onderdeel van Uw kunstaas en moet onder alle omstandigheden vlijmscherp zijn. Het beste monteert men tussen het kunstaas en de dreg een splitring zodat men in de toekomst gemakkelijk van haak kan wisselen.

Vissen op snoek:

Willen we bijvoorbeeld met een rapalla-plug vissen, dan is het gebruik van een gevlochten lijn aan te raden. Omdat deze lijn geen rek bezit, drijft men bij het aanslaan de haken probleemloos in de harde bek van de snoek. Wanneer we echter met een spinner of lepel vissen, is nylon de beste keuze. Inderdaad, niet zozeer vanwege de actie, maar wel omdat dit kunstaas de lijn onmiddellijk laat kinken en op die manier een dure gevlochten lijn binnen de kortste keren kapot gaat. Het iets dikkere en stijvere nylon gaat dat kinken tegen, maar vergeet niet minstens twee voldoende grote en perfect draaiende wartels voor het kunstaas te bevestigen. Vist U met getakeld dood aas, dan weet u misschien uit ervaring dat onze vriend de snoek een trage, soepele animatie van het aas op prijs stelt. Het is een pluspunt dat bij een aanbeet, het zetten van de haak even uitgesteld wordt om de takel honderd procent te laten haken. Voor deze visserij kiezen we het beste een soepele fluo-lijn met zo weinig mogelijk rek en met zo weinig mogelijk geheugen. De uitstekende zichtbaarheid zal helpen de kleinste aanbeet te zien, zelfs van een snoek die het aas voorzichtig neemt en met het aas naar U toe zwemt. Vist U liever met een levende aasvis…en hebt U de gewoonte nylon te gebruiken …Wel, nylon is de beste keuze voor een montage waarbij men de snoek het aas laat slikken. Dat is gelukkig verleden tijd en als sportieve hengelaar wil men iedere gevangen snoek na het onthaken in zijn natuurlijk element terug zetten, ervoor zorgend dat hij maximale overlevingskansen heeft. Een moderne levendaas visser gebruikt een aangepaste takel zodat hij na de beet onmiddellijk de haak kan zetten. Om die reden is gevlochten lijn voor deze manier van vissen niet te verbeteren. Het vissen met een gevlochten lijn dicteert een hengel die in de top soepeler is dan een hengel die met nylon wordt gevist. Stel de slip van de molen goed af, want de eerste run van een snoek kan héél uitbundig zijn en met gevlochten lijn  hebt U geen rek die deze kracht opvangt.

PAGE UP